Vervoeging van ophouden


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik houd op
    • jij houdt op
    • hij/zij/het houdt op
    • wij houden op
    • jullie houden op
    • zij houden op
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik hield op
    • jij hield op
    • hij/zij/het hield op
    • wij hielden op
    • jullie hielden op
    • zij hielden op
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb opgehouden
    • jij hebt opgehouden
    • hij/zij/het heeft opgehouden
    • wij hebben opgehouden
    • jullie hebben opgehouden
    • zij hebben opgehouden
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had opgehouden
    • jij had opgehouden
    • hij/zij/het had opgehouden
    • wij hadden opgehouden
    • jullie hadden opgehouden
    • zij hadden opgehouden
  • Toekomende tijd I

    • ik zal ophouden
    • jij zult ophouden
    • hij/zij/het zal ophouden
    • wij zullen ophouden
    • jullie zullen ophouden
    • zij zullen ophouden
  • Toekomende tijd II

    • ik zal opgehouden hebben
    • jij zult opgehouden hebben
    • hij/zij/het zal opgehouden hebben
    • wij zullen opgehouden hebben
    • jullie zullen opgehouden hebben
    • zij zullen opgehouden hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou ophouden
    • jij zou ophouden
    • hij/zij/het zou ophouden
    • wij zouden ophouden
    • jullie zouden ophouden
    • zij zouden ophouden
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben opgehouden
    • jij zou hebben opgehouden
    • hij/zij/het zou hebben opgehouden
    • wij zouden hebben opgehouden
    • jullie zouden hebben opgehouden
    • zij zouden hebben opgehouden
  • Imperatief

    • jij houd op
    • jullie houdt op

Verwijzingen

Bekijk 3 definitie(s) van ophouden