Vervoeging van opnemen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik neem op
    • jij neemt op
    • hij/zij/het neemt op
    • wij nemen op
    • jullie nemen op
    • zij nemen op
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik nam op
    • jij nam op
    • hij/zij/het nam op
    • wij namen op
    • jullie namen op
    • zij namen op
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb opgenomen
    • jij hebt opgenomen
    • hij/zij/het heeft opgenomen
    • wij hebben opgenomen
    • jullie hebben opgenomen
    • zij hebben opgenomen
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had opgenomen
    • jij had opgenomen
    • hij/zij/het had opgenomen
    • wij hadden opgenomen
    • jullie hadden opgenomen
    • zij hadden opgenomen
  • Toekomende tijd I

    • ik zal opnemen
    • jij zult opnemen
    • hij/zij/het zal opnemen
    • wij zullen opnemen
    • jullie zullen opnemen
    • zij zullen opnemen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal opgenomen hebben
    • jij zult opgenomen hebben
    • hij/zij/het zal opgenomen hebben
    • wij zullen opgenomen hebben
    • jullie zullen opgenomen hebben
    • zij zullen opgenomen hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou opnemen
    • jij zou opnemen
    • hij/zij/het zou opnemen
    • wij zouden opnemen
    • jullie zouden opnemen
    • zij zouden opnemen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben opgenomen
    • jij zou hebben opgenomen
    • hij/zij/het zou hebben opgenomen
    • wij zouden hebben opgenomen
    • jullie zouden hebben opgenomen
    • zij zouden hebben opgenomen
  • Imperatief

    • jij neem op
    • jullie neemt op

Verwijzingen

Bekijk 8 definitie(s) van opnemen