Vervoeging van overvallen

Onbepaalde wijs (infinitief): overvallen
  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik overval
    • jij overvalt
    • hij/zij/het overvalt
    • wij overvallen
    • jullie overvallen
    • zij overvallen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik overviel
    • jij overviel
    • hij/zij/het overviel
    • wij overvielen
    • jullie overvielen
    • zij overvielen
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb overvallen
    • jij hebt overvallen
    • hij/zij/het heeft overvallen
    • wij hebben overvallen
    • jullie hebben overvallen
    • zij hebben overvallen
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had overvallen
    • jij had overvallen
    • hij/zij/het had overvallen
    • wij hadden overvallen
    • jullie hadden overvallen
    • zij hadden overvallen
  • Toekomende tijd I

    • ik zal overvallen
    • jij zult overvallen
    • hij/zij/het zal overvallen
    • wij zullen overvallen
    • jullie zullen overvallen
    • zij zullen overvallen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal overvallen hebben
    • jij zult overvallen hebben
    • hij/zij/het zal overvallen hebben
    • wij zullen overvallen hebben
    • jullie zullen overvallen hebben
    • zij zullen overvallen hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou overvallen
    • jij zou overvallen
    • hij/zij/het zou overvallen
    • wij zouden overvallen
    • jullie zouden overvallen
    • zij zouden overvallen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben overvallen
    • jij zou hebben overvallen
    • hij/zij/het zou hebben overvallen
    • wij zouden hebben overvallen
    • jullie zouden hebben overvallen
    • zij zouden hebben overvallen
  • Imperatief

    • jij overval
    • jullie overvalt