Vervoeging van pakken


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik pak
    • jij pakt
    • hij/zij/het pakt
    • wij pakken
    • jullie pakken
    • zij pakken
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik pakte
    • jij pakte
    • hij/zij/het pakte
    • wij pakten
    • jullie pakten
    • zij pakten
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gepakt
    • jij hebt gepakt
    • hij/zij/het heeft gepakt
    • wij hebben gepakt
    • jullie hebben gepakt
    • zij hebben gepakt
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gepakt
    • jij had gepakt
    • hij/zij/het had gepakt
    • wij hadden gepakt
    • jullie hadden gepakt
    • zij hadden gepakt
  • Toekomende tijd I

    • ik zal pakken
    • jij zult pakken
    • hij/zij/het zal pakken
    • wij zullen pakken
    • jullie zullen pakken
    • zij zullen pakken
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gepakt hebben
    • jij zult gepakt hebben
    • hij/zij/het zal gepakt hebben
    • wij zullen gepakt hebben
    • jullie zullen gepakt hebben
    • zij zullen gepakt hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou pakken
    • jij zou pakken
    • hij/zij/het zou pakken
    • wij zouden pakken
    • jullie zouden pakken
    • zij zouden pakken
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gepakt
    • jij zou hebben gepakt
    • hij/zij/het zou hebben gepakt
    • wij zouden hebben gepakt
    • jullie zouden hebben gepakt
    • zij zouden hebben gepakt
  • Imperatief

    • jij pak
    • jullie pakt

Verwijzingen

Bekijk 8 definitie(s) van pakken