Vervoeging van passen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik pas
    • jij past
    • hij/zij/het past
    • wij passen
    • jullie passen
    • zij passen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik paste
    • jij paste
    • hij/zij/het paste
    • wij pasten
    • jullie pasten
    • zij pasten
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gepast
    • jij hebt gepast
    • hij/zij/het heeft gepast
    • wij hebben gepast
    • jullie hebben gepast
    • zij hebben gepast
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gepast
    • jij had gepast
    • hij/zij/het had gepast
    • wij hadden gepast
    • jullie hadden gepast
    • zij hadden gepast
  • Toekomende tijd I

    • ik zal passen
    • jij zult passen
    • hij/zij/het zal passen
    • wij zullen passen
    • jullie zullen passen
    • zij zullen passen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gepast hebben
    • jij zult gepast hebben
    • hij/zij/het zal gepast hebben
    • wij zullen gepast hebben
    • jullie zullen gepast hebben
    • zij zullen gepast hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou passen
    • jij zou passen
    • hij/zij/het zou passen
    • wij zouden passen
    • jullie zouden passen
    • zij zouden passen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gepast
    • jij zou hebben gepast
    • hij/zij/het zou hebben gepast
    • wij zouden hebben gepast
    • jullie zouden hebben gepast
    • zij zouden hebben gepast
  • Imperatief

    • jij pas
    • jullie past

Verwijzingen

Bekijk 6 definitie(s) van passen