Betekenis van:
passen

passen
Werkwoord
  • het juiste bedrag betalen
"kunnen passen"
"geld passen"

Hyperoniemen

passen
Werkwoord
  • toezicht houden (op)
"op de kinderen passen"
"passen op [iets/iemand]"

Synoniemen

Hyperoniemen

passen
Werkwoord
  • een pass geven
"passen naar de midvoor"

Hyperoniemen

passen
Werkwoord
  • nauwkeurig sluiten
"die broek past (me) perfect!"
"dat puzzelstukje past precies"

Synoniemen

Hyperoniemen

passen
Werkwoord
  • niet spelen
"ik pas, want ik weet het juist antwoord niet"
"ergens voor passen"

Hyperoniemen

passen
Werkwoord
  • de maat controleren
"u mag het pak gerust passen"
"met passen en meten wordt de meeste tijd versleten"

Hyperoniemen

passen
Werkwoord
  • precies de goede maat zijn, erin kunnen
" Dit jasje past me goed."
pas (de ~ | meervoud passen)
Zelfstandig naamwoord
  • stap
"zijn pas versnellen"
"in de pas lopen met (de economische ontwikkeling in Europa)"

Hyperoniemen

pas (de ~ | meervoud passen)
Zelfstandig naamwoord
  • bergengte; bepaalde vorm v.e. bergrug; plaats waar men een gebergte passeert
"over de pas"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

Werkwoord