Betekenis van:
oppassen

Werkwoord

oppassen
bij de kinderen blijven en op ze letten
"Vanavond moet ik oppassen, maar morgen kan ik wel."
oppassen
opletten dat er niet iets ergs gebeurt
"Op die richel moet je goed oppassen, zodat dat je niet valt."
oppassen
proberen of iets past
"een hoed oppassen"

Hyperoniemen

oppassen
tijdelijk zorgen voor iem. of iets
"bij je zus gaan oppassen"

Hyperoniemen

Hyponiemen