Betekenis van:
zadel

zadel (het ~ | meervoud zadels)
Zelfstandig naamwoord
  • rugzetel op een rijdier
"iemand uit het zadel lichten/werpen/wippen"
"iemand in het zadel helpen"

Hyperoniemen

Hyponiemen

zadel (het ~ | meervoud zadels)
Zelfstandig naamwoord
  • zitting v.e. rijwiel
"uit het zadel komen"
"een hard zadel"

Hyperoniemen

zadel (het ~ | meervoud zadels)
Zelfstandig naamwoord
  • lendenstuk v.e. dier
"lams-/varkenszadel"
"het zadel van het lam"

Synoniemen

Hyperoniemen

zadel
Zelfstandig naamwoord
  • zitplaats op de rug van een (rij)dier
zadel
Zelfstandig naamwoord
  • zitplaats op een (gemotoriseerde) fiets
zadel
Zelfstandig naamwoord
  • deel van een muziekinstrument waar de snaren strak over gespannen zijn, kam
zadel
Zelfstandig naamwoord
  • bergpas
zadel
Zelfstandig naamwoord
  • bevestiging voor kabels en leidingen
zadel
Zelfstandig naamwoord
  • lendenstuk (vgl. kalfszadel, lamszadel)
zadel (het ~ | meervoud zadels)
Zelfstandig naamwoord
  • onderdeel v.e. snaarinstrument; kam v.e. snaarinstrument

Synoniemen

Hyperoniemen

zadel (het ~ | meervoud zadels)
Zelfstandig naamwoord
  • bergengte; bepaalde vorm v.e. bergrug; plaats waar men een gebergte passeert

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

Werkwoord