Betekenis van:
zitting

zitting
Zelfstandig naamwoord
  • het gevoerde deel van een stoel waarop men zit
"Deze zitting moet opnieuw gestoffeerd worden."
zitting (de ~ | meervoud zittingen)
Zelfstandig naamwoord
  • deel v.e. stoel waar je op zit
"een rieten/fluwelen zitting"

Hyperoniemen

Hyponiemen

zitting
Zelfstandig naamwoord
  • de tijd dat een raad of ander lichaam werkzaam bijeen is
"De koningin opende de zitting van het parlement."
zitting (de ~ | meervoud zittingen)
Zelfstandig naamwoord
  • bijeenkomst/zitting; vergadering, zitting hebben in
"de zitting openen"
"de zitting verdagen/schorsen/opheffen"

Synoniemen

Hyperoniemen

zitting
Zelfstandig naamwoord
  • ''~ nemen in'' ergens toe toetreden

Voorbeeldzinnen

  1. Sluiting van de zitting
  2. Agenda van de zitting
  3. d zitting in Luxemburg [3].
  4. Artikel 15 — Agenda van de zitting
  5. Artikel 16 — Opening van de zitting
  6. De diepte van een zitting mag niet minder bedragen dan:
  7. Project V: Tweede zitting van de wetenschappelijke adviesraad
  8. Zij kan beslissen om zitting te houden met 3 rechters.
  9. De voorzitter stelt de voorlopige agenda van elke zitting op.
  10. Project V: Tweede zitting van de wetenschappelijke adviesraad
  11. Een zitting bestaat uit een of meer vergaderdagen.
  12. Een verzoek om een nadere zitting is slechts ontvankelijk, indien het op omstandigheden berust waarin zich tijdens of na de zitting een wijziging heeft voorgedaan.
  13. Vóór de sluiting van de zitting deelt de voorzitter de voltallige vergadering plaats en datum van de eerstvolgende zitting mee, alsmede de eventueel reeds bekende agendapunten.
  14. De secretaris-generaal dient vóór de zitting schriftelijk in kennis te worden gesteld van de stemoverdracht.
  15. De agenda voor elke zitting wordt opgesteld door de Directeur-Generaal.