Vervoeging van penetreren

Onbepaalde wijs (infinitief): penetreren


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik penetreer
    • jij penetreert
    • hij/zij/het penetreert
    • wij penetreren
    • jullie penetreren
    • zij penetreren
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik penetreerde
    • jij penetreerde
    • hij/zij/het penetreerde
    • wij penetreerden
    • jullie penetreerden
    • zij penetreerden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik ben gepenetreerd
    • jij bent gepenetreerd
    • hij/zij/het is gepenetreerd
    • wij zijn gepenetreerd
    • jullie zijn gepenetreerd
    • zij zijn gepenetreerd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik was gepenetreerd
    • jij was gepenetreerd
    • hij/zij/het was gepenetreerd
    • wij waren gepenetreerd
    • jullie waren gepenetreerd
    • zij waren gepenetreerd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal penetreren
    • jij zult penetreren
    • hij/zij/het zal penetreren
    • wij zullen penetreren
    • jullie zullen penetreren
    • zij zullen penetreren
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gepenetreerd zijn
    • jij zult gepenetreerd zijn
    • hij/zij/het zal gepenetreerd zijn
    • wij zullen gepenetreerd zijn
    • jullie zullen gepenetreerd zijn
    • zij zullen gepenetreerd zijn
  • Conditionalis I

    • ik zou penetreren
    • jij zou penetreren
    • hij/zij/het zou penetreren
    • wij zouden penetreren
    • jullie zouden penetreren
    • zij zouden penetreren
  • Conditionalis II

    • ik zou zijn gepenetreerd
    • jij zou zijn gepenetreerd
    • hij/zij/het zou zijn gepenetreerd
    • wij zouden zijn gepenetreerd
    • jullie zouden zijn gepenetreerd
    • zij zouden zijn gepenetreerd
  • Imperatief

    • jij penetreer
    • jullie penetreert

Verwijzingen

Bekijk 3 definitie(s) van penetreren