Vervoeging van plomberen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik plombeer
    • jij plombeert
    • hij/zij/het plombeert
    • wij plomberen
    • jullie plomberen
    • zij plomberen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik plombeerde
    • jij plombeerde
    • hij/zij/het plombeerde
    • wij plombeerden
    • jullie plombeerden
    • zij plombeerden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb geplombeerd
    • jij hebt geplombeerd
    • hij/zij/het heeft geplombeerd
    • wij hebben geplombeerd
    • jullie hebben geplombeerd
    • zij hebben geplombeerd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had geplombeerd
    • jij had geplombeerd
    • hij/zij/het had geplombeerd
    • wij hadden geplombeerd
    • jullie hadden geplombeerd
    • zij hadden geplombeerd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal plomberen
    • jij zult plomberen
    • hij/zij/het zal plomberen
    • wij zullen plomberen
    • jullie zullen plomberen
    • zij zullen plomberen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal geplombeerd hebben
    • jij zult geplombeerd hebben
    • hij/zij/het zal geplombeerd hebben
    • wij zullen geplombeerd hebben
    • jullie zullen geplombeerd hebben
    • zij zullen geplombeerd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou plomberen
    • jij zou plomberen
    • hij/zij/het zou plomberen
    • wij zouden plomberen
    • jullie zouden plomberen
    • zij zouden plomberen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben geplombeerd
    • jij zou hebben geplombeerd
    • hij/zij/het zou hebben geplombeerd
    • wij zouden hebben geplombeerd
    • jullie zouden hebben geplombeerd
    • zij zouden hebben geplombeerd
  • Imperatief

    • jij plombeer
    • jullie plombeert

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van plomberen