Vervoeging van prejudiciëren

Onbepaalde wijs (infinitief): prejudiciëren


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik prejudicieer
    • jij prejudicieert
    • hij/zij/het prejudicieert
    • wij prejudiciëren
    • jullie prejudiciëren
    • zij prejudiciëren
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik prejudicieerde
    • jij prejudicieerde
    • hij/zij/het prejudicieerde
    • wij prejudicieerden
    • jullie prejudicieerden
    • zij prejudicieerden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb geprejudicieerd
    • jij hebt geprejudicieerd
    • hij/zij/het heeft geprejudicieerd
    • wij hebben geprejudicieerd
    • jullie hebben geprejudicieerd
    • zij hebben geprejudicieerd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had geprejudicieerd
    • jij had geprejudicieerd
    • hij/zij/het had geprejudicieerd
    • wij hadden geprejudicieerd
    • jullie hadden geprejudicieerd
    • zij hadden geprejudicieerd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal prejudiciëren
    • jij zult prejudiciëren
    • hij/zij/het zal prejudiciëren
    • wij zullen prejudiciëren
    • jullie zullen prejudiciëren
    • zij zullen prejudiciëren
  • Toekomende tijd II

    • ik zal geprejudicieerd hebben
    • jij zult geprejudicieerd hebben
    • hij/zij/het zal geprejudicieerd hebben
    • wij zullen geprejudicieerd hebben
    • jullie zullen geprejudicieerd hebben
    • zij zullen geprejudicieerd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou prejudiciëren
    • jij zou prejudiciëren
    • hij/zij/het zou prejudiciëren
    • wij zouden prejudiciëren
    • jullie zouden prejudiciëren
    • zij zouden prejudiciëren
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben geprejudicieerd
    • jij zou hebben geprejudicieerd
    • hij/zij/het zou hebben geprejudicieerd
    • wij zouden hebben geprejudicieerd
    • jullie zouden hebben geprejudicieerd
    • zij zouden hebben geprejudicieerd
  • Imperatief

    • jij prejudicieer
    • jullie prejudicieert