Vervoeging van propageren

Onbepaalde wijs (infinitief): propageren


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik propageer
    • jij propageert
    • hij/zij/het propageert
    • wij propageren
    • jullie propageren
    • zij propageren
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik propageerde
    • jij propageerde
    • hij/zij/het propageerde
    • wij propageerden
    • jullie propageerden
    • zij propageerden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gepropageerd
    • jij hebt gepropageerd
    • hij/zij/het heeft gepropageerd
    • wij hebben gepropageerd
    • jullie hebben gepropageerd
    • zij hebben gepropageerd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gepropageerd
    • jij had gepropageerd
    • hij/zij/het had gepropageerd
    • wij hadden gepropageerd
    • jullie hadden gepropageerd
    • zij hadden gepropageerd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal propageren
    • jij zult propageren
    • hij/zij/het zal propageren
    • wij zullen propageren
    • jullie zullen propageren
    • zij zullen propageren
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gepropageerd hebben
    • jij zult gepropageerd hebben
    • hij/zij/het zal gepropageerd hebben
    • wij zullen gepropageerd hebben
    • jullie zullen gepropageerd hebben
    • zij zullen gepropageerd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou propageren
    • jij zou propageren
    • hij/zij/het zou propageren
    • wij zouden propageren
    • jullie zouden propageren
    • zij zouden propageren
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gepropageerd
    • jij zou hebben gepropageerd
    • hij/zij/het zou hebben gepropageerd
    • wij zouden hebben gepropageerd
    • jullie zouden hebben gepropageerd
    • zij zouden hebben gepropageerd
  • Imperatief

    • jij propageer
    • jullie propageert

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van propageren