Vervoeging van richten


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik richt
    • jij richt
    • hij/zij/het richt
    • wij richten
    • jullie richten
    • zij richten
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik richtte
    • jij richtte
    • hij/zij/het richtte
    • wij richtten
    • jullie richtten
    • zij richtten
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gericht
    • jij hebt gericht
    • hij/zij/het heeft gericht
    • wij hebben gericht
    • jullie hebben gericht
    • zij hebben gericht
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gericht
    • jij had gericht
    • hij/zij/het had gericht
    • wij hadden gericht
    • jullie hadden gericht
    • zij hadden gericht
  • Toekomende tijd I

    • ik zal richten
    • jij zult richten
    • hij/zij/het zal richten
    • wij zullen richten
    • jullie zullen richten
    • zij zullen richten
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gericht hebben
    • jij zult gericht hebben
    • hij/zij/het zal gericht hebben
    • wij zullen gericht hebben
    • jullie zullen gericht hebben
    • zij zullen gericht hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou richten
    • jij zou richten
    • hij/zij/het zou richten
    • wij zouden richten
    • jullie zouden richten
    • zij zouden richten
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gericht
    • jij zou hebben gericht
    • hij/zij/het zou hebben gericht
    • wij zouden hebben gericht
    • jullie zouden hebben gericht
    • zij zouden hebben gericht
  • Imperatief

    • jij richt
    • jullie richt

Verwijzingen

Bekijk 4 definitie(s) van richten