Vervoeging van rijmen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik rijm
    • jij rijmt
    • hij/zij/het rijmt
    • wij rijmen
    • jullie rijmen
    • zij rijmen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik rijmde
    • jij rijmde
    • hij/zij/het rijmde
    • wij rijmden
    • jullie rijmden
    • zij rijmden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gerijmd
    • jij hebt gerijmd
    • hij/zij/het heeft gerijmd
    • wij hebben gerijmd
    • jullie hebben gerijmd
    • zij hebben gerijmd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gerijmd
    • jij had gerijmd
    • hij/zij/het had gerijmd
    • wij hadden gerijmd
    • jullie hadden gerijmd
    • zij hadden gerijmd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal rijmen
    • jij zult rijmen
    • hij/zij/het zal rijmen
    • wij zullen rijmen
    • jullie zullen rijmen
    • zij zullen rijmen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gerijmd hebben
    • jij zult gerijmd hebben
    • hij/zij/het zal gerijmd hebben
    • wij zullen gerijmd hebben
    • jullie zullen gerijmd hebben
    • zij zullen gerijmd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou rijmen
    • jij zou rijmen
    • hij/zij/het zou rijmen
    • wij zouden rijmen
    • jullie zouden rijmen
    • zij zouden rijmen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gerijmd
    • jij zou hebben gerijmd
    • hij/zij/het zou hebben gerijmd
    • wij zouden hebben gerijmd
    • jullie zouden hebben gerijmd
    • zij zouden hebben gerijmd
  • Imperatief

    • jij rijm
    • jullie rijmt

Verwijzingen

Bekijk 6 definitie(s) van rijmen