Vervoeging van ruimen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik ruim
    • jij ruimt
    • hij/zij/het ruimt
    • wij ruimen
    • jullie ruimen
    • zij ruimen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik ruimde
    • jij ruimde
    • hij/zij/het ruimde
    • wij ruimden
    • jullie ruimden
    • zij ruimden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb geruimd
    • jij hebt geruimd
    • hij/zij/het heeft geruimd
    • wij hebben geruimd
    • jullie hebben geruimd
    • zij hebben geruimd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had geruimd
    • jij had geruimd
    • hij/zij/het had geruimd
    • wij hadden geruimd
    • jullie hadden geruimd
    • zij hadden geruimd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal ruimen
    • jij zult ruimen
    • hij/zij/het zal ruimen
    • wij zullen ruimen
    • jullie zullen ruimen
    • zij zullen ruimen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal geruimd hebben
    • jij zult geruimd hebben
    • hij/zij/het zal geruimd hebben
    • wij zullen geruimd hebben
    • jullie zullen geruimd hebben
    • zij zullen geruimd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou ruimen
    • jij zou ruimen
    • hij/zij/het zou ruimen
    • wij zouden ruimen
    • jullie zouden ruimen
    • zij zouden ruimen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben geruimd
    • jij zou hebben geruimd
    • hij/zij/het zou hebben geruimd
    • wij zouden hebben geruimd
    • jullie zouden hebben geruimd
    • zij zouden hebben geruimd
  • Imperatief

    • jij ruim
    • jullie ruimt

Verwijzingen

Bekijk 4 definitie(s) van ruimen