Vervoeging van samenvallen

Onbepaalde wijs (infinitief): samenvallen
  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • hij/zij/het valt samen
    • zij vallen samen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • hij/zij/het viel samen
    • zij vielen samen
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • hij/zij/het is samengevallen
    • zij zijn samengevallen
  • Voltooid verleden tijd

    • hij/zij/het was samengevallen
    • zij waren samengevallen
  • Toekomende tijd I

    • hij/zij/het zal samenvallen
    • zij zult samenvallen
  • Toekomende tijd II

    • hij/zij/het zal samengevallen zijn
    • zij zult samengevallen zijn
  • Conditionalis I

    • hij/zij/het zal samenvallen
    • zij zullen samenvallen
  • Conditionalis II

    • hij/zij/het zal zijn samengevallen
    • zij zullen zijn samengevallen

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van samenvallen