Vervoeging van scheiden


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik scheid
    • jij scheidt
    • hij/zij/het scheidt
    • wij scheiden
    • jullie scheiden
    • zij scheiden
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik scheidde
    • jij scheidde
    • hij/zij/het scheidde
    • wij scheidden
    • jullie scheidden
    • zij scheidden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gescheiden
    • jij hebt gescheiden
    • hij/zij/het heeft gescheiden
    • wij hebben gescheiden
    • jullie hebben gescheiden
    • zij hebben gescheiden
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gescheiden
    • jij had gescheiden
    • hij/zij/het had gescheiden
    • wij hadden gescheiden
    • jullie hadden gescheiden
    • zij hadden gescheiden
  • Toekomende tijd I

    • ik zal scheiden
    • jij zult scheiden
    • hij/zij/het zal scheiden
    • wij zullen scheiden
    • jullie zullen scheiden
    • zij zullen scheiden
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gescheiden hebben
    • jij zult gescheiden hebben
    • hij/zij/het zal gescheiden hebben
    • wij zullen gescheiden hebben
    • jullie zullen gescheiden hebben
    • zij zullen gescheiden hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou scheiden
    • jij zou scheiden
    • hij/zij/het zou scheiden
    • wij zouden scheiden
    • jullie zouden scheiden
    • zij zouden scheiden
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gescheiden
    • jij zou hebben gescheiden
    • hij/zij/het zou hebben gescheiden
    • wij zouden hebben gescheiden
    • jullie zouden hebben gescheiden
    • zij zouden hebben gescheiden
  • Imperatief

    • jij scheid
    • jullie scheidt

Verwijzingen

Bekijk 4 definitie(s) van scheiden