Vervoeging van schilderen

Onbepaalde wijs (infinitief): schilderen
  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik schilder
    • jij schildert
    • hij/zij/het schildert
    • wij schilderen
    • jullie schilderen
    • zij schilderen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik schilderde
    • jij schilderde
    • hij/zij/het schilderde
    • wij schilderden
    • jullie schilderden
    • zij schilderden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb geschilderd
    • jij hebt geschilderd
    • hij/zij/het heeft geschilderd
    • wij hebben geschilderd
    • jullie hebben geschilderd
    • zij hebben geschilderd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had geschilderd
    • jij had geschilderd
    • hij/zij/het had geschilderd
    • wij hadden geschilderd
    • jullie hadden geschilderd
    • zij hadden geschilderd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal schilderen
    • jij zult schilderen
    • hij/zij/het zal schilderen
    • wij zullen schilderen
    • jullie zullen schilderen
    • zij zullen schilderen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal geschilderd hebben
    • jij zult geschilderd hebben
    • hij/zij/het zal geschilderd hebben
    • wij zullen geschilderd hebben
    • jullie zullen geschilderd hebben
    • zij zullen geschilderd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou schilderen
    • jij zou schilderen
    • hij/zij/het zou schilderen
    • wij zouden schilderen
    • jullie zouden schilderen
    • zij zouden schilderen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben geschilderd
    • jij zou hebben geschilderd
    • hij/zij/het zou hebben geschilderd
    • wij zouden hebben geschilderd
    • jullie zouden hebben geschilderd
    • zij zouden hebben geschilderd
  • Imperatief

    • jij schilder
    • jullie schildert

Verwijzingen

Bekijk 3 definitie(s) van schilderen