Vervoeging van scoren


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik scoor
    • jij scoort
    • hij/zij/het scoort
    • wij scoren
    • jullie scoren
    • zij scoren
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik scoorde
    • jij scoorde
    • hij/zij/het scoorde
    • wij scoorden
    • jullie scoorden
    • zij scoorden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gescoord
    • jij hebt gescoord
    • hij/zij/het heeft gescoord
    • wij hebben gescoord
    • jullie hebben gescoord
    • zij hebben gescoord
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gescoord
    • jij had gescoord
    • hij/zij/het had gescoord
    • wij hadden gescoord
    • jullie hadden gescoord
    • zij hadden gescoord
  • Toekomende tijd I

    • ik zal scoren
    • jij zult scoren
    • hij/zij/het zal scoren
    • wij zullen scoren
    • jullie zullen scoren
    • zij zullen scoren
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gescoord hebben
    • jij zult gescoord hebben
    • hij/zij/het zal gescoord hebben
    • wij zullen gescoord hebben
    • jullie zullen gescoord hebben
    • zij zullen gescoord hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou scoren
    • jij zou scoren
    • hij/zij/het zou scoren
    • wij zouden scoren
    • jullie zouden scoren
    • zij zouden scoren
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gescoord
    • jij zou hebben gescoord
    • hij/zij/het zou hebben gescoord
    • wij zouden hebben gescoord
    • jullie zouden hebben gescoord
    • zij zouden hebben gescoord
  • Imperatief

    • jij scoor
    • jullie scoort

Verwijzingen

Bekijk 4 definitie(s) van scoren