Vervoeging van smokkelen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik smokkel
    • jij smokkelt
    • hij/zij/het smokkelt
    • wij smokkelen
    • jullie smokkelen
    • zij smokkelen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik smokkelde
    • jij smokkelde
    • hij/zij/het smokkelde
    • wij smokkelden
    • jullie smokkelden
    • zij smokkelden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gesmokkeld
    • jij hebt gesmokkeld
    • hij/zij/het heeft gesmokkeld
    • wij hebben gesmokkeld
    • jullie hebben gesmokkeld
    • zij hebben gesmokkeld
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gesmokkeld
    • jij had gesmokkeld
    • hij/zij/het had gesmokkeld
    • wij hadden gesmokkeld
    • jullie hadden gesmokkeld
    • zij hadden gesmokkeld
  • Toekomende tijd I

    • ik zal smokkelen
    • jij zult smokkelen
    • hij/zij/het zal smokkelen
    • wij zullen smokkelen
    • jullie zullen smokkelen
    • zij zullen smokkelen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gesmokkeld hebben
    • jij zult gesmokkeld hebben
    • hij/zij/het zal gesmokkeld hebben
    • wij zullen gesmokkeld hebben
    • jullie zullen gesmokkeld hebben
    • zij zullen gesmokkeld hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou smokkelen
    • jij zou smokkelen
    • hij/zij/het zou smokkelen
    • wij zouden smokkelen
    • jullie zouden smokkelen
    • zij zouden smokkelen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gesmokkeld
    • jij zou hebben gesmokkeld
    • hij/zij/het zou hebben gesmokkeld
    • wij zouden hebben gesmokkeld
    • jullie zouden hebben gesmokkeld
    • zij zouden hebben gesmokkeld
  • Imperatief

    • jij smokkel
    • jullie smokkelt

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van smokkelen