Vervoeging van snijden


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik snijd
    • jij snijdt
    • hij/zij/het snijdt
    • wij snijden
    • jullie snijden
    • zij snijden
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik sneed
    • jij sneed
    • hij/zij/het sneed
    • wij sneden
    • jullie sneden
    • zij sneden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gesneden
    • jij hebt gesneden
    • hij/zij/het heeft gesneden
    • wij hebben gesneden
    • jullie hebben gesneden
    • zij hebben gesneden
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gesneden
    • jij had gesneden
    • hij/zij/het had gesneden
    • wij hadden gesneden
    • jullie hadden gesneden
    • zij hadden gesneden
  • Toekomende tijd I

    • ik zal snijden
    • jij zult snijden
    • hij/zij/het zal snijden
    • wij zullen snijden
    • jullie zullen snijden
    • zij zullen snijden
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gesneden hebben
    • jij zult gesneden hebben
    • hij/zij/het zal gesneden hebben
    • wij zullen gesneden hebben
    • jullie zullen gesneden hebben
    • zij zullen gesneden hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou snijden
    • jij zou snijden
    • hij/zij/het zou snijden
    • wij zouden snijden
    • jullie zouden snijden
    • zij zouden snijden
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gesneden
    • jij zou hebben gesneden
    • hij/zij/het zou hebben gesneden
    • wij zouden hebben gesneden
    • jullie zouden hebben gesneden
    • zij zouden hebben gesneden
  • Imperatief

    • jij snijd
    • jullie snijdt

Verwijzingen

Bekijk 8 definitie(s) van snijden