Vervoeging van sparen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik spaar
    • jij spaart
    • hij/zij/het spaart
    • wij sparen
    • jullie sparen
    • zij sparen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik spaarde
    • jij spaarde
    • hij/zij/het spaarde
    • wij spaarden
    • jullie spaarden
    • zij spaarden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gespaard
    • jij hebt gespaard
    • hij/zij/het heeft gespaard
    • wij hebben gespaard
    • jullie hebben gespaard
    • zij hebben gespaard
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gespaard
    • jij had gespaard
    • hij/zij/het had gespaard
    • wij hadden gespaard
    • jullie hadden gespaard
    • zij hadden gespaard
  • Toekomende tijd I

    • ik zal sparen
    • jij zult sparen
    • hij/zij/het zal sparen
    • wij zullen sparen
    • jullie zullen sparen
    • zij zullen sparen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gespaard hebben
    • jij zult gespaard hebben
    • hij/zij/het zal gespaard hebben
    • wij zullen gespaard hebben
    • jullie zullen gespaard hebben
    • zij zullen gespaard hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou sparen
    • jij zou sparen
    • hij/zij/het zou sparen
    • wij zouden sparen
    • jullie zouden sparen
    • zij zouden sparen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gespaard
    • jij zou hebben gespaard
    • hij/zij/het zou hebben gespaard
    • wij zouden hebben gespaard
    • jullie zouden hebben gespaard
    • zij zouden hebben gespaard
  • Imperatief

    • jij spaar
    • jullie spaart

Verwijzingen

Bekijk 3 definitie(s) van sparen