Betekenis van:
sparen

sparen
Werkwoord
  • (een bedrag, geld) opzij leggen, niet opmaken
"een bedrag sparen"
"geld sparen"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

sparen
Werkwoord
  • geld niet uitgeven
"Ik ben aan het sparen voor een nieuwe motor."
sparen
Werkwoord
  • iets verzamelen
"Spaar jij postzegels?"
sparen
Werkwoord
  • ontzien, niet straffen of geweld aandoen
"Bij die ramp bleef weinig gespaard."
sparen
Werkwoord
  • niet aantasten; ontzien
"zijn krachten sparen"
"(n)iemand sparen"

Synoniemen

Hyperoniemen

sparen
Werkwoord
  • een collectie aanleggen; verzamelen
"postzegels/voetbalplaatjes/suikerzakjes sparen"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

Werkwoord