Vervoeging van stalen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik staal
    • jij staalt
    • hij/zij/het staalt
    • wij stalen
    • jullie stalen
    • zij stalen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik staalde
    • jij staalde
    • hij/zij/het staalde
    • wij staalden
    • jullie staalden
    • zij staalden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gestaald
    • jij hebt gestaald
    • hij/zij/het heeft gestaald
    • wij hebben gestaald
    • jullie hebben gestaald
    • zij hebben gestaald
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gestaald
    • jij had gestaald
    • hij/zij/het had gestaald
    • wij hadden gestaald
    • jullie hadden gestaald
    • zij hadden gestaald
  • Toekomende tijd I

    • ik zal stalen
    • jij zult stalen
    • hij/zij/het zal stalen
    • wij zullen stalen
    • jullie zullen stalen
    • zij zullen stalen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gestaald hebben
    • jij zult gestaald hebben
    • hij/zij/het zal gestaald hebben
    • wij zullen gestaald hebben
    • jullie zullen gestaald hebben
    • zij zullen gestaald hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou stalen
    • jij zou stalen
    • hij/zij/het zou stalen
    • wij zouden stalen
    • jullie zouden stalen
    • zij zouden stalen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gestaald
    • jij zou hebben gestaald
    • hij/zij/het zou hebben gestaald
    • wij zouden hebben gestaald
    • jullie zouden hebben gestaald
    • zij zouden hebben gestaald
  • Imperatief

    • jij staal
    • jullie staalt