Vervoeging van standhouden

Onbepaalde wijs (infinitief): standhouden


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik houd stand
    • jij houdt stand
    • hij/zij/het houdt stand
    • wij houden stand
    • jullie houden stand
    • zij houden stand
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik hield stand
    • jij hield stand
    • hij/zij/het hield stand
    • wij hielden stand
    • jullie hielden stand
    • zij hielden stand
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb standgehouden
    • jij hebt standgehouden
    • hij/zij/het heeft standgehouden
    • wij hebben standgehouden
    • jullie hebben standgehouden
    • zij hebben standgehouden
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had standgehouden
    • jij had standgehouden
    • hij/zij/het had standgehouden
    • wij hadden standgehouden
    • jullie hadden standgehouden
    • zij hadden standgehouden
  • Toekomende tijd I

    • ik zal standhouden
    • jij zult standhouden
    • hij/zij/het zal standhouden
    • wij zullen standhouden
    • jullie zullen standhouden
    • zij zullen standhouden
  • Toekomende tijd II

    • ik zal standgehouden hebben
    • jij zult standgehouden hebben
    • hij/zij/het zal standgehouden hebben
    • wij zullen standgehouden hebben
    • jullie zullen standgehouden hebben
    • zij zullen standgehouden hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou standhouden
    • jij zou standhouden
    • hij/zij/het zou standhouden
    • wij zouden standhouden
    • jullie zouden standhouden
    • zij zouden standhouden
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben standgehouden
    • jij zou hebben standgehouden
    • hij/zij/het zou hebben standgehouden
    • wij zouden hebben standgehouden
    • jullie zouden hebben standgehouden
    • zij zouden hebben standgehouden
  • Imperatief

    • jij houd stand
    • jullie houdt stand