Vervoeging van stipuleren

Onbepaalde wijs (infinitief): stipuleren

  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik stipuleer
    • jij stipuleert
    • hij/zij/het stipuleert
    • wij stipuleren
    • jullie stipuleren
    • zij stipuleren
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik stipuleerde
    • jij stipuleerde
    • hij/zij/het stipuleerde
    • wij stipuleerden
    • jullie stipuleerden
    • zij stipuleerden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gestipuleerd
    • jij hebt gestipuleerd
    • hij/zij/het heeft gestipuleerd
    • wij hebben gestipuleerd
    • jullie hebben gestipuleerd
    • zij hebben gestipuleerd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gestipuleerd
    • jij had gestipuleerd
    • hij/zij/het had gestipuleerd
    • wij hadden gestipuleerd
    • jullie hadden gestipuleerd
    • zij hadden gestipuleerd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal stipuleren
    • jij zult stipuleren
    • hij/zij/het zal stipuleren
    • wij zullen stipuleren
    • jullie zullen stipuleren
    • zij zullen stipuleren
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gestipuleerd hebben
    • jij zult gestipuleerd hebben
    • hij/zij/het zal gestipuleerd hebben
    • wij zullen gestipuleerd hebben
    • jullie zullen gestipuleerd hebben
    • zij zullen gestipuleerd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou stipuleren
    • jij zou stipuleren
    • hij/zij/het zou stipuleren
    • wij zouden stipuleren
    • jullie zouden stipuleren
    • zij zouden stipuleren
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gestipuleerd
    • jij zou hebben gestipuleerd
    • hij/zij/het zou hebben gestipuleerd
    • wij zouden hebben gestipuleerd
    • jullie zouden hebben gestipuleerd
    • zij zouden hebben gestipuleerd
  • Imperatief

    • jij stipuleer
    • jullie stipuleert

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van stipuleren