Vervoeging van stoken


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik stook
    • jij stookt
    • hij/zij/het stookt
    • wij stoken
    • jullie stoken
    • zij stoken
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik stookte
    • jij stookte
    • hij/zij/het stookte
    • wij stookten
    • jullie stookten
    • zij stookten
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gestookt
    • jij hebt gestookt
    • hij/zij/het heeft gestookt
    • wij hebben gestookt
    • jullie hebben gestookt
    • zij hebben gestookt
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gestookt
    • jij had gestookt
    • hij/zij/het had gestookt
    • wij hadden gestookt
    • jullie hadden gestookt
    • zij hadden gestookt
  • Toekomende tijd I

    • ik zal stoken
    • jij zult stoken
    • hij/zij/het zal stoken
    • wij zullen stoken
    • jullie zullen stoken
    • zij zullen stoken
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gestookt hebben
    • jij zult gestookt hebben
    • hij/zij/het zal gestookt hebben
    • wij zullen gestookt hebben
    • jullie zullen gestookt hebben
    • zij zullen gestookt hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou stoken
    • jij zou stoken
    • hij/zij/het zou stoken
    • wij zouden stoken
    • jullie zouden stoken
    • zij zouden stoken
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gestookt
    • jij zou hebben gestookt
    • hij/zij/het zou hebben gestookt
    • wij zouden hebben gestookt
    • jullie zouden hebben gestookt
    • zij zouden hebben gestookt
  • Imperatief

    • jij stook
    • jullie stookt

Verwijzingen

Bekijk 3 definitie(s) van stoken