Vervoeging van stoppen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik stop
    • jij stopt
    • hij/zij/het stopt
    • wij stoppen
    • jullie stoppen
    • zij stoppen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik stopte
    • jij stopte
    • hij/zij/het stopte
    • wij stopten
    • jullie stopten
    • zij stopten
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gestopt
    • jij hebt gestopt
    • hij/zij/het heeft gestopt
    • wij hebben gestopt
    • jullie hebben gestopt
    • zij hebben gestopt
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gestopt
    • jij had gestopt
    • hij/zij/het had gestopt
    • wij hadden gestopt
    • jullie hadden gestopt
    • zij hadden gestopt
  • Toekomende tijd I

    • ik zal stoppen
    • jij zult stoppen
    • hij/zij/het zal stoppen
    • wij zullen stoppen
    • jullie zullen stoppen
    • zij zullen stoppen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gestopt hebben
    • jij zult gestopt hebben
    • hij/zij/het zal gestopt hebben
    • wij zullen gestopt hebben
    • jullie zullen gestopt hebben
    • zij zullen gestopt hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou stoppen
    • jij zou stoppen
    • hij/zij/het zou stoppen
    • wij zouden stoppen
    • jullie zouden stoppen
    • zij zouden stoppen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gestopt
    • jij zou hebben gestopt
    • hij/zij/het zou hebben gestopt
    • wij zouden hebben gestopt
    • jullie zouden hebben gestopt
    • zij zouden hebben gestopt
  • Imperatief

    • jij stop
    • jullie stopt

Verwijzingen

Bekijk 4 definitie(s) van stoppen