Vervoeging van sturen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik stuur
    • jij stuurt
    • hij/zij/het stuurt
    • wij sturen
    • jullie sturen
    • zij sturen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik stuurde
    • jij stuurde
    • hij/zij/het stuurde
    • wij stuurden
    • jullie stuurden
    • zij stuurden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gestuurd
    • jij hebt gestuurd
    • hij/zij/het heeft gestuurd
    • wij hebben gestuurd
    • jullie hebben gestuurd
    • zij hebben gestuurd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gestuurd
    • jij had gestuurd
    • hij/zij/het had gestuurd
    • wij hadden gestuurd
    • jullie hadden gestuurd
    • zij hadden gestuurd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal sturen
    • jij zult sturen
    • hij/zij/het zal sturen
    • wij zullen sturen
    • jullie zullen sturen
    • zij zullen sturen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gestuurd hebben
    • jij zult gestuurd hebben
    • hij/zij/het zal gestuurd hebben
    • wij zullen gestuurd hebben
    • jullie zullen gestuurd hebben
    • zij zullen gestuurd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou sturen
    • jij zou sturen
    • hij/zij/het zou sturen
    • wij zouden sturen
    • jullie zouden sturen
    • zij zouden sturen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gestuurd
    • jij zou hebben gestuurd
    • hij/zij/het zou hebben gestuurd
    • wij zouden hebben gestuurd
    • jullie zouden hebben gestuurd
    • zij zouden hebben gestuurd
  • Imperatief

    • jij stuur
    • jullie stuurt

Verwijzingen

Bekijk 4 definitie(s) van sturen