Vervoeging van terugboeken

Onbepaalde wijs (infinitief): terugboeken


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik boek terug
    • jij boekt terug
    • hij/zij/het boekt terug
    • wij boeken terug
    • jullie boeken terug
    • zij boeken terug
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik boekte terug
    • jij boekte terug
    • hij/zij/het boekte terug
    • wij boekten terug
    • jullie boekten terug
    • zij boekten terug
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb teruggeboekt
    • jij hebt teruggeboekt
    • hij/zij/het heeft teruggeboekt
    • wij hebben teruggeboekt
    • jullie hebben teruggeboekt
    • zij hebben teruggeboekt
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had teruggeboekt
    • jij had teruggeboekt
    • hij/zij/het had teruggeboekt
    • wij hadden teruggeboekt
    • jullie hadden teruggeboekt
    • zij hadden teruggeboekt
  • Toekomende tijd I

    • ik zal terugboeken
    • jij zult terugboeken
    • hij/zij/het zal terugboeken
    • wij zullen terugboeken
    • jullie zullen terugboeken
    • zij zullen terugboeken
  • Toekomende tijd II

    • ik zal teruggeboekt hebben
    • jij zult teruggeboekt hebben
    • hij/zij/het zal teruggeboekt hebben
    • wij zullen teruggeboekt hebben
    • jullie zullen teruggeboekt hebben
    • zij zullen teruggeboekt hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou terugboeken
    • jij zou terugboeken
    • hij/zij/het zou terugboeken
    • wij zouden terugboeken
    • jullie zouden terugboeken
    • zij zouden terugboeken
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben teruggeboekt
    • jij zou hebben teruggeboekt
    • hij/zij/het zou hebben teruggeboekt
    • wij zouden hebben teruggeboekt
    • jullie zouden hebben teruggeboekt
    • zij zouden hebben teruggeboekt
  • Imperatief

    • jij boek terug
    • jullie boekt terug

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van terugboeken