Vervoeging van trekken


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik trek
    • jij trekt
    • hij/zij/het trekt
    • wij trekken
    • jullie trekken
    • zij trekken
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik trok
    • jij trok
    • hij/zij/het trok
    • wij trokken
    • jullie trokken
    • zij trokken
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb getrokken
    • jij hebt getrokken
    • hij/zij/het heeft getrokken
    • wij hebben getrokken
    • jullie hebben getrokken
    • zij hebben getrokken
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had getrokken
    • jij had getrokken
    • hij/zij/het had getrokken
    • wij hadden getrokken
    • jullie hadden getrokken
    • zij hadden getrokken
  • Toekomende tijd I

    • ik zal trekken
    • jij zult trekken
    • hij/zij/het zal trekken
    • wij zullen trekken
    • jullie zullen trekken
    • zij zullen trekken
  • Toekomende tijd II

    • ik zal getrokken hebben
    • jij zult getrokken hebben
    • hij/zij/het zal getrokken hebben
    • wij zullen getrokken hebben
    • jullie zullen getrokken hebben
    • zij zullen getrokken hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou trekken
    • jij zou trekken
    • hij/zij/het zou trekken
    • wij zouden trekken
    • jullie zouden trekken
    • zij zouden trekken
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben getrokken
    • jij zou hebben getrokken
    • hij/zij/het zou hebben getrokken
    • wij zouden hebben getrokken
    • jullie zouden hebben getrokken
    • zij zouden hebben getrokken
  • Imperatief

    • jij trek
    • jullie trekt

Verwijzingen

Bekijk 13 definitie(s) van trekken