Vervoeging van uitgeven


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik geef uit
    • jij geeft uit
    • hij/zij/het geeft uit
    • wij geven uit
    • jullie geven uit
    • zij geven uit
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik gaf uit
    • jij gaf uit
    • hij/zij/het gaf uit
    • wij gaven uit
    • jullie gaven uit
    • zij gaven uit
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb uitgegeven
    • jij hebt uitgegeven
    • hij/zij/het heeft uitgegeven
    • wij hebben uitgegeven
    • jullie hebben uitgegeven
    • zij hebben uitgegeven
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had uitgegeven
    • jij had uitgegeven
    • hij/zij/het had uitgegeven
    • wij hadden uitgegeven
    • jullie hadden uitgegeven
    • zij hadden uitgegeven
  • Toekomende tijd I

    • ik zal uitgeven
    • jij zult uitgeven
    • hij/zij/het zal uitgeven
    • wij zullen uitgeven
    • jullie zullen uitgeven
    • zij zullen uitgeven
  • Toekomende tijd II

    • ik zal uitgegeven hebben
    • jij zult uitgegeven hebben
    • hij/zij/het zal uitgegeven hebben
    • wij zullen uitgegeven hebben
    • jullie zullen uitgegeven hebben
    • zij zullen uitgegeven hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou uitgeven
    • jij zou uitgeven
    • hij/zij/het zou uitgeven
    • wij zouden uitgeven
    • jullie zouden uitgeven
    • zij zouden uitgeven
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben uitgegeven
    • jij zou hebben uitgegeven
    • hij/zij/het zou hebben uitgegeven
    • wij zouden hebben uitgegeven
    • jullie zouden hebben uitgegeven
    • zij zouden hebben uitgegeven
  • Imperatief

    • jij geef uit
    • jullie geeft uit

Verwijzingen

Bekijk 4 definitie(s) van uitgeven