Vervoeging van uitvinden


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik vind uit
    • jij vindt uit
    • hij/zij/het vindt uit
    • wij vinden uit
    • jullie vinden uit
    • zij vinden uit
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik vond uit
    • jij vond uit
    • hij/zij/het vond uit
    • wij vonden uit
    • jullie vonden uit
    • zij vonden uit
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb uitgevonden
    • jij hebt uitgevonden
    • hij/zij/het heeft uitgevonden
    • wij hebben uitgevonden
    • jullie hebben uitgevonden
    • zij hebben uitgevonden
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had uitgevonden
    • jij had uitgevonden
    • hij/zij/het had uitgevonden
    • wij hadden uitgevonden
    • jullie hadden uitgevonden
    • zij hadden uitgevonden
  • Toekomende tijd I

    • ik zal uitvinden
    • jij zult uitvinden
    • hij/zij/het zal uitvinden
    • wij zullen uitvinden
    • jullie zullen uitvinden
    • zij zullen uitvinden
  • Toekomende tijd II

    • ik zal uitgevonden hebben
    • jij zult uitgevonden hebben
    • hij/zij/het zal uitgevonden hebben
    • wij zullen uitgevonden hebben
    • jullie zullen uitgevonden hebben
    • zij zullen uitgevonden hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou uitvinden
    • jij zou uitvinden
    • hij/zij/het zou uitvinden
    • wij zouden uitvinden
    • jullie zouden uitvinden
    • zij zouden uitvinden
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben uitgevonden
    • jij zou hebben uitgevonden
    • hij/zij/het zou hebben uitgevonden
    • wij zouden hebben uitgevonden
    • jullie zouden hebben uitgevonden
    • zij zouden hebben uitgevonden
  • Imperatief

    • jij vind uit
    • jullie vindt uit

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van uitvinden