Vervoeging van vechten


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik vecht
    • jij vecht
    • hij/zij/het vecht
    • wij vechten
    • jullie vechten
    • zij vechten
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik vocht
    • jij vocht
    • hij/zij/het vocht
    • wij vochten
    • jullie vochten
    • zij vochten
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gevochten
    • jij hebt gevochten
    • hij/zij/het heeft gevochten
    • wij hebben gevochten
    • jullie hebben gevochten
    • zij hebben gevochten
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gevochten
    • jij had gevochten
    • hij/zij/het had gevochten
    • wij hadden gevochten
    • jullie hadden gevochten
    • zij hadden gevochten
  • Toekomende tijd I

    • ik zal vechten
    • jij zult vechten
    • hij/zij/het zal vechten
    • wij zullen vechten
    • jullie zullen vechten
    • zij zullen vechten
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gevochten hebben
    • jij zult gevochten hebben
    • hij/zij/het zal gevochten hebben
    • wij zullen gevochten hebben
    • jullie zullen gevochten hebben
    • zij zullen gevochten hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou vechten
    • jij zou vechten
    • hij/zij/het zou vechten
    • wij zouden vechten
    • jullie zouden vechten
    • zij zouden vechten
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gevochten
    • jij zou hebben gevochten
    • hij/zij/het zou hebben gevochten
    • wij zouden hebben gevochten
    • jullie zouden hebben gevochten
    • zij zouden hebben gevochten
  • Imperatief

    • jij vecht
    • jullie vecht

Verwijzingen

Bekijk 3 definitie(s) van vechten