Vervoeging van verdienen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik verdien
    • jij verdient
    • hij/zij/het verdient
    • wij verdienen
    • jullie verdienen
    • zij verdienen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik verdiende
    • jij verdiende
    • hij/zij/het verdiende
    • wij verdienden
    • jullie verdienden
    • zij verdienden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb verdiend
    • jij hebt verdiend
    • hij/zij/het heeft verdiend
    • wij hebben verdiend
    • jullie hebben verdiend
    • zij hebben verdiend
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had verdiend
    • jij had verdiend
    • hij/zij/het had verdiend
    • wij hadden verdiend
    • jullie hadden verdiend
    • zij hadden verdiend
  • Toekomende tijd I

    • ik zal verdienen
    • jij zult verdienen
    • hij/zij/het zal verdienen
    • wij zullen verdienen
    • jullie zullen verdienen
    • zij zullen verdienen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal verdiend hebben
    • jij zult verdiend hebben
    • hij/zij/het zal verdiend hebben
    • wij zullen verdiend hebben
    • jullie zullen verdiend hebben
    • zij zullen verdiend hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou verdienen
    • jij zou verdienen
    • hij/zij/het zou verdienen
    • wij zouden verdienen
    • jullie zouden verdienen
    • zij zouden verdienen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben verdiend
    • jij zou hebben verdiend
    • hij/zij/het zou hebben verdiend
    • wij zouden hebben verdiend
    • jullie zouden hebben verdiend
    • zij zouden hebben verdiend
  • Imperatief

    • jij verdien
    • jullie verdient

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van verdienen