Vervoeging van verslaan

  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik versla
    • jij verslaat
    • hij/zij/het verslaat
    • wij verslaan
    • jullie verslaan
    • zij verslaan
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik versloeg
    • jij versloeg
    • hij/zij/het versloeg
    • wij versloegen
    • jullie versloegen
    • zij versloegen
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb verslagen
    • jij hebt verslagen
    • hij/zij/het heeft verslagen
    • wij hebben verslagen
    • jullie hebben verslagen
    • zij hebben verslagen
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had verslagen
    • jij had verslagen
    • hij/zij/het had verslagen
    • wij hadden verslagen
    • jullie hadden verslagen
    • zij hadden verslagen
  • Toekomende tijd I

    • ik zal verslaan
    • jij zult verslaan
    • hij/zij/het zal verslaan
    • wij zullen verslaan
    • jullie zullen verslaan
    • zij zullen verslaan
  • Toekomende tijd II

    • ik zal verslagen hebben
    • jij zult verslagen hebben
    • hij/zij/het zal verslagen hebben
    • wij zullen verslagen hebben
    • jullie zullen verslagen hebben
    • zij zullen verslagen hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou verslaan
    • jij zou verslaan
    • hij/zij/het zou verslaan
    • wij zouden verslaan
    • jullie zouden verslaan
    • zij zouden verslaan
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben verslagen
    • jij zou hebben verslagen
    • hij/zij/het zou hebben verslagen
    • wij zouden hebben verslagen
    • jullie zouden hebben verslagen
    • zij zouden hebben verslagen
  • Imperatief

    • jij versla
    • jullie verslaat