Vervoeging van verslaan


Nederlands

Italiaans

Onvoltooid tegenwoordige tijd

  • ik versla
  • jij verslaat
  • hij/zij/het verslaat
  • wij verslaan
  • jullie verslaan
  • zij verslaan

Presente

  • io calmo
  • tu calmi
  • lui/lei/Lei calma
  • noi calmiamo
  • voi/Voi calmate
  • loro/Loro calmano

Onvoltooid verleden tijd

  • ik versloeg
  • jij versloeg
  • hij/zij/het versloeg
  • wij versloegen
  • jullie versloegen
  • zij versloegen

Imperfetto

  • io calmavo
  • tu calmavi
  • lui/lei/Lei calmava
  • noi calmavamo
  • voi/Voi calmavate
  • loro/Loro calmavano

Voltooid tegenwoordige tijd

  • ik heb verslagen
  • jij hebt verslagen
  • hij/zij/het heeft verslagen
  • wij hebben verslagen
  • jullie hebben verslagen
  • zij hebben verslagen

Passato prossimo

  • io ho calmato
  • tu hai calmato
  • lui/lei/Lei ha calmato
  • noi abbiamo calmato
  • voi/Voi avete calmato
  • loro/Loro hanno calmato

Voltooid verleden tijd

  • ik had verslagen
  • jij had verslagen
  • hij/zij/het had verslagen
  • wij hadden verslagen
  • jullie hadden verslagen
  • zij hadden verslagen

Trapassato prossimo

  • io avevo calmato
  • tu avevi calmato
  • lui/lei/Lei aveva calmato
  • noi avevamo calmato
  • voi/Voi avevate calmato
  • loro/Loro avevano calmato

Toekomende tijd I

  • ik zal verslaan
  • jij zult verslaan
  • hij/zij/het zal verslaan
  • wij zullen verslaan
  • jullie zullen verslaan
  • zij zullen verslaan

Futuro semplice

  • io calmerò
  • tu calmerai
  • lui/lei/Lei calmerà
  • noi calmeremo
  • voi/Voi calmerete
  • loro/Loro calmeranno

Toekomende tijd II

  • ik zal verslagen hebben
  • jij zult verslagen hebben
  • hij/zij/het zal verslagen hebben
  • wij zullen verslagen hebben
  • jullie zullen verslagen hebben
  • zij zullen verslagen hebben

Futuro anteriore

  • io avrò calmato
  • tu avrai calmato
  • lui/lei/Lei avrà calmato
  • noi avremo calmato
  • voi/Voi avrete calmato
  • loro/Loro avranno calmato

Conditionalis I

  • ik zou verslaan
  • jij zou verslaan
  • hij/zij/het zou verslaan
  • wij zouden verslaan
  • jullie zouden verslaan
  • zij zouden verslaan

Condizionale presente

  • io calmerei
  • tu calmeresti
  • lui/lei/Lei calmerebbe
  • noi calmeremmo
  • voi/Voi calmereste
  • loro/Loro calmerebbero

Conditionalis II

  • ik zou hebben verslagen
  • jij zou hebben verslagen
  • hij/zij/het zou hebben verslagen
  • wij zouden hebben verslagen
  • jullie zouden hebben verslagen
  • zij zouden hebben verslagen

Condizionale passato

  • io avrei calmato
  • tu avresti calmato
  • lui/lei/Lei avrebbe calmato
  • noi avremmo calmato
  • voi/Voi avreste calmato
  • loro/Loro avrebbero calmato

Imperatief

  • jij versla
  • jullie verslaat

Imperativo

  • tu calma
  • voi/Voi calmate

Verwijzingen

Bekijk 3 definitie(s) van verslaan