Vervoeging van verzachten

Onbepaalde wijs (infinitief): verzachten
  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik verzacht
    • jij verzacht
    • hij/zij/het verzacht
    • wij verzachten
    • jullie verzachten
    • zij verzachten
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik verzachtte
    • jij verzachtte
    • hij/zij/het verzachtte
    • wij verzachtten
    • jullie verzachtten
    • zij verzachtten
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb verzacht
    • jij hebt verzacht
    • hij/zij/het heeft verzacht
    • wij hebben verzacht
    • jullie hebben verzacht
    • zij hebben verzacht
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had verzacht
    • jij had verzacht
    • hij/zij/het had verzacht
    • wij hadden verzacht
    • jullie hadden verzacht
    • zij hadden verzacht
  • Toekomende tijd I

    • ik zal verzachten
    • jij zult verzachten
    • hij/zij/het zal verzachten
    • wij zullen verzachten
    • jullie zullen verzachten
    • zij zullen verzachten
  • Toekomende tijd II

    • ik zal verzacht hebben
    • jij zult verzacht hebben
    • hij/zij/het zal verzacht hebben
    • wij zullen verzacht hebben
    • jullie zullen verzacht hebben
    • zij zullen verzacht hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou verzachten
    • jij zou verzachten
    • hij/zij/het zou verzachten
    • wij zouden verzachten
    • jullie zouden verzachten
    • zij zouden verzachten
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben verzacht
    • jij zou hebben verzacht
    • hij/zij/het zou hebben verzacht
    • wij zouden hebben verzacht
    • jullie zouden hebben verzacht
    • zij zouden hebben verzacht
  • Imperatief

    • jij verzacht
    • jullie verzacht

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van verzachten