Vervoeging van verzekeren

Onbepaalde wijs (infinitief): verzekeren


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik verzeker
    • jij verzekert
    • hij/zij/het verzekert
    • wij verzekeren
    • jullie verzekeren
    • zij verzekeren
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik verzekerde
    • jij verzekerde
    • hij/zij/het verzekerde
    • wij verzekerden
    • jullie verzekerden
    • zij verzekerden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb verzekerd
    • jij hebt verzekerd
    • hij/zij/het heeft verzekerd
    • wij hebben verzekerd
    • jullie hebben verzekerd
    • zij hebben verzekerd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had verzekerd
    • jij had verzekerd
    • hij/zij/het had verzekerd
    • wij hadden verzekerd
    • jullie hadden verzekerd
    • zij hadden verzekerd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal verzekeren
    • jij zult verzekeren
    • hij/zij/het zal verzekeren
    • wij zullen verzekeren
    • jullie zullen verzekeren
    • zij zullen verzekeren
  • Toekomende tijd II

    • ik zal verzekerd hebben
    • jij zult verzekerd hebben
    • hij/zij/het zal verzekerd hebben
    • wij zullen verzekerd hebben
    • jullie zullen verzekerd hebben
    • zij zullen verzekerd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou verzekeren
    • jij zou verzekeren
    • hij/zij/het zou verzekeren
    • wij zouden verzekeren
    • jullie zouden verzekeren
    • zij zouden verzekeren
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben verzekerd
    • jij zou hebben verzekerd
    • hij/zij/het zou hebben verzekerd
    • wij zouden hebben verzekerd
    • jullie zouden hebben verzekerd
    • zij zouden hebben verzekerd
  • Imperatief

    • jij verzeker
    • jullie verzekert

Verwijzingen

Bekijk 5 definitie(s) van verzekeren