Betekenis van:
verzekeren

verzekeren
Werkwoord
  • tegen verschuiving enz. beveiligen
"Hij verzekerde de koffers stevig op het dak van de auto."

Hyperoniemen

verzekeren
Werkwoord
  • een verzekering sluiten op of voor
"iets tegen [diefstal/schade/inbraak] verzekeren"
"iets voor [een miljoen] verzekeren"

Synoniemen

Hyperoniemen

verzekeren
Werkwoord
  • verklaren dat iets toekomstigs met zekerheid te verwachten is
"Hij verzekerde dat er geen ontslagen zouden vallen."
verzekeren
Werkwoord
  • tegen betaling van een premie een contract afsluiten waarbij bepaald wordt dat bij eventuele schade gedekt zal worden
"Zij hadden gelukkig hun reis verzekerd zodat zij bij dat ongeluk hulp konden inroepen."
verzekeren
Werkwoord
  • garanderen; bij aankoop garantie geven; garanderen; garanderen
"iemand verzekeren dat [je komt op zijn verjaardag]"
"er is mij verzekerd dat [de fiets morgen klaar is]"

Synoniemen

Hyperoniemen

verzekeren
Werkwoord
  • verzekeren; je verzekeren van; je overtuigen
"zich ervan verzekeren dat [het geleende geld terugkomt]"
"zich verzekerd weten van [de steun van je familie]"

Synoniemen

Hyperoniemen

verzekeren
Werkwoord
  • zeggen dat iets is of zal gaan zoals je zegt.

Synoniemen

Werkwoord