Vervoeging van weerspiegelen

Onbepaalde wijs (infinitief): weerspiegelen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • hij/zij/het weerspiegelt
    • zij weerspiegelen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • hij/zij/het weerspiegelde
    • zij weerspiegelden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • hij/zij/het heeft weerspiegeld
    • zij hebben weerspiegeld
  • Voltooid verleden tijd

    • hij/zij/het had weerspiegeld
    • zij hadden weerspiegeld
  • Toekomende tijd I

    • hij/zij/het zal weerspiegelen
    • zij zult weerspiegelen
  • Toekomende tijd II

    • hij/zij/het zal weerspiegeld hebben
    • zij zult weerspiegeld hebben
  • Conditionalis I

    • hij/zij/het zal weerspiegelen
    • zij zullen weerspiegelen
  • Conditionalis II

    • hij/zij/het zal hebben weerspiegeld
    • zij zullen hebben weerspiegeld

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van weerspiegelen