Vervoeging van winnen

  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik win
    • jij wint
    • hij/zij/het wint
    • wij winnen
    • jullie winnen
    • zij winnen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik won
    • jij won
    • hij/zij/het won
    • wij wonnen
    • jullie wonnen
    • zij wonnen
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gewonnen
    • jij hebt gewonnen
    • hij/zij/het heeft gewonnen
    • wij hebben gewonnen
    • jullie hebben gewonnen
    • zij hebben gewonnen
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gewonnen
    • jij had gewonnen
    • hij/zij/het had gewonnen
    • wij hadden gewonnen
    • jullie hadden gewonnen
    • zij hadden gewonnen
  • Toekomende tijd I

    • ik zal winnen
    • jij zult winnen
    • hij/zij/het zal winnen
    • wij zullen winnen
    • jullie zullen winnen
    • zij zullen winnen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gewonnen hebben
    • jij zult gewonnen hebben
    • hij/zij/het zal gewonnen hebben
    • wij zullen gewonnen hebben
    • jullie zullen gewonnen hebben
    • zij zullen gewonnen hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou winnen
    • jij zou winnen
    • hij/zij/het zou winnen
    • wij zouden winnen
    • jullie zouden winnen
    • zij zouden winnen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gewonnen
    • jij zou hebben gewonnen
    • hij/zij/het zou hebben gewonnen
    • wij zouden hebben gewonnen
    • jullie zouden hebben gewonnen
    • zij zouden hebben gewonnen
  • Imperatief

    • jij win
    • jullie wint

Verwijzingen

Bekijk 4 definitie(s) van winnen