Vervoeging van aanleunen

Er is helaas geen Spaanse vertaling gevonden.

  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik leun aan
    • jij leunt aan
    • hij/zij/het leunt aan
    • wij leunen aan
    • jullie leunen aan
    • zij leunen aan
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik leunde aan
    • jij leunde aan
    • hij/zij/het leunde aan
    • wij leunden aan
    • jullie leunden aan
    • zij leunden aan
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb aangeleund
    • jij hebt aangeleund
    • hij/zij/het heeft aangeleund
    • wij hebben aangeleund
    • jullie hebben aangeleund
    • zij hebben aangeleund
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had aangeleund
    • jij had aangeleund
    • hij/zij/het had aangeleund
    • wij hadden aangeleund
    • jullie hadden aangeleund
    • zij hadden aangeleund
  • Toekomende tijd I

    • ik zal aanleunen
    • jij zult aanleunen
    • hij/zij/het zal aanleunen
    • wij zullen aanleunen
    • jullie zullen aanleunen
    • zij zullen aanleunen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal aangeleund hebben
    • jij zult aangeleund hebben
    • hij/zij/het zal aangeleund hebben
    • wij zullen aangeleund hebben
    • jullie zullen aangeleund hebben
    • zij zullen aangeleund hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou aanleunen
    • jij zou aanleunen
    • hij/zij/het zou aanleunen
    • wij zouden aanleunen
    • jullie zouden aanleunen
    • zij zouden aanleunen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben aangeleund
    • jij zou hebben aangeleund
    • hij/zij/het zou hebben aangeleund
    • wij zouden hebben aangeleund
    • jullie zouden hebben aangeleund
    • zij zouden hebben aangeleund
  • Imperatief

    • jij leun aan
    • jullie leunt aan