Vervoeging van aanwakkeren

Onbepaalde wijs (infinitief): aanwakkeren


Nederlands

Spaans

Onvoltooid tegenwoordige tijd

  • ik wakker aan
  • jij wakkert aan
  • hij/zij/het wakkert aan
  • wij wakkeren aan
  • jullie wakkeren aan
  • zij wakkeren aan

Indicativo presente

  • yo aumento
  • aumentas
  • él/ella aumenta
  • nosotros aumentamos
  • vosotros aumentáis
  • ellos/ellas aumentan

Onvoltooid verleden tijd

  • ik wakkerde aan
  • jij wakkerde aan
  • hij/zij/het wakkerde aan
  • wij wakkerden aan
  • jullie wakkerden aan
  • zij wakkerden aan

Indefinido

  • yo aumenté
  • aumentaste
  • él/ella aumentó
  • nosotros aumentamos
  • vosotros aumentasteis
  • ellos/ellas aumentaron

Voltooid tegenwoordige tijd

  • ik heb aangewakkerd
  • jij hebt aangewakkerd
  • hij/zij/het heeft aangewakkerd
  • wij hebben aangewakkerd
  • jullie hebben aangewakkerd
  • zij hebben aangewakkerd

Pretérito perfecto compuesto

  • yo he aumentado
  • has aumentado
  • él/ella ha aumentado
  • nosotros hemos aumentado
  • vosotros habéis aumentado
  • ellos/ellas han aumentado

Voltooid verleden tijd

  • ik had aangewakkerd
  • jij had aangewakkerd
  • hij/zij/het had aangewakkerd
  • wij hadden aangewakkerd
  • jullie hadden aangewakkerd
  • zij hadden aangewakkerd

Pluscuamperfecto

  • yo había aumentado
  • habías aumentado
  • él/ella había aumentado
  • nosotros habíamos aumentado
  • vosotros habíais aumentado
  • ellos/ellas habían aumentado

Toekomende tijd I

  • ik zal aanwakkeren
  • jij zult aanwakkeren
  • hij/zij/het zal aanwakkeren
  • wij zullen aanwakkeren
  • jullie zullen aanwakkeren
  • zij zullen aanwakkeren

Futuro I

  • yo aumentaré
  • aumentarás
  • él/ella aumentará
  • nosotros aumentaremos
  • vosotros aumentaréis
  • ellos/ellas aumentarán

Toekomende tijd II

  • ik zal aangewakkerd hebben
  • jij zult aangewakkerd hebben
  • hij/zij/het zal aangewakkerd hebben
  • wij zullen aangewakkerd hebben
  • jullie zullen aangewakkerd hebben
  • zij zullen aangewakkerd hebben

Futuro perfecto

  • yo habré aumentado
  • habrás aumentado
  • él/ella habrá aumentado
  • nosotros habremos aumentado
  • vosotros habréis aumentado
  • ellos/ellas habrán aumentado

Conditionalis I

  • ik zou aanwakkeren
  • jij zou aanwakkeren
  • hij/zij/het zou aanwakkeren
  • wij zouden aanwakkeren
  • jullie zouden aanwakkeren
  • zij zouden aanwakkeren

Condicional

  • yo aumentaría
  • aumentarías
  • él/ella aumentaría
  • nosotros aumentaríamos
  • vosotros aumentaríais
  • ellos/ellas aumentarían

Conditionalis II

  • ik zou hebben aangewakkerd
  • jij zou hebben aangewakkerd
  • hij/zij/het zou hebben aangewakkerd
  • wij zouden hebben aangewakkerd
  • jullie zouden hebben aangewakkerd
  • zij zouden hebben aangewakkerd

Condicional perfecto

  • yo habría aumentado
  • habrías aumentado
  • él/ella habría aumentado
  • nosotros habríamos aumentado
  • vosotros habríais aumentado
  • ellos/ellas habrían aumentado

Imperatief

  • jij wakker aan
  • jullie wakkert aan

Imperativo presente

  • aumenta
  • vosotros aumentad

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van aanwakkeren