Vervoeging van afdonderen

Onbepaalde wijs (infinitief): afdonderen

Er is helaas geen Duitse vertaling gevonden.

  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik donder af
    • jij dondert af
    • hij/zij/het dondert af
    • wij donderen af
    • jullie donderen af
    • zij donderen af
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik donderde af
    • jij donderde af
    • hij/zij/het donderde af
    • wij donderden af
    • jullie donderden af
    • zij donderden af
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb afgedonderd
    • jij hebt afgedonderd
    • hij/zij/het heeft afgedonderd
    • wij hebben afgedonderd
    • jullie hebben afgedonderd
    • zij hebben afgedonderd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had afgedonderd
    • jij had afgedonderd
    • hij/zij/het had afgedonderd
    • wij hadden afgedonderd
    • jullie hadden afgedonderd
    • zij hadden afgedonderd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal afdonderen
    • jij zult afdonderen
    • hij/zij/het zal afdonderen
    • wij zullen afdonderen
    • jullie zullen afdonderen
    • zij zullen afdonderen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal afgedonderd hebben
    • jij zult afgedonderd hebben
    • hij/zij/het zal afgedonderd hebben
    • wij zullen afgedonderd hebben
    • jullie zullen afgedonderd hebben
    • zij zullen afgedonderd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou afdonderen
    • jij zou afdonderen
    • hij/zij/het zou afdonderen
    • wij zouden afdonderen
    • jullie zouden afdonderen
    • zij zouden afdonderen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben afgedonderd
    • jij zou hebben afgedonderd
    • hij/zij/het zou hebben afgedonderd
    • wij zouden hebben afgedonderd
    • jullie zouden hebben afgedonderd
    • zij zouden hebben afgedonderd
  • Imperatief

    • jij donder af
    • jullie dondert af

Verwijzingen

Bekijk 2 definitie(s) van afdonderen