Vervoeging van afjapen

Er is helaas geen Spaanse vertaling gevonden.

  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik jaap af
    • jij jaapt af
    • hij/zij/het jaapt af
    • wij japen af
    • jullie japen af
    • zij japen af
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik jaapte af
    • jij jaapte af
    • hij/zij/het jaapte af
    • wij jaapten af
    • jullie jaapten af
    • zij jaapten af
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb afgejaapt
    • jij hebt afgejaapt
    • hij/zij/het heeft afgejaapt
    • wij hebben afgejaapt
    • jullie hebben afgejaapt
    • zij hebben afgejaapt
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had afgejaapt
    • jij had afgejaapt
    • hij/zij/het had afgejaapt
    • wij hadden afgejaapt
    • jullie hadden afgejaapt
    • zij hadden afgejaapt
  • Toekomende tijd I

    • ik zal afjapen
    • jij zult afjapen
    • hij/zij/het zal afjapen
    • wij zullen afjapen
    • jullie zullen afjapen
    • zij zullen afjapen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal afgejaapt hebben
    • jij zult afgejaapt hebben
    • hij/zij/het zal afgejaapt hebben
    • wij zullen afgejaapt hebben
    • jullie zullen afgejaapt hebben
    • zij zullen afgejaapt hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou afjapen
    • jij zou afjapen
    • hij/zij/het zou afjapen
    • wij zouden afjapen
    • jullie zouden afjapen
    • zij zouden afjapen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben afgejaapt
    • jij zou hebben afgejaapt
    • hij/zij/het zou hebben afgejaapt
    • wij zouden hebben afgejaapt
    • jullie zouden hebben afgejaapt
    • zij zouden hebben afgejaapt
  • Imperatief

    • jij jaap af
    • jullie jaapt af