Vervoeging van afklemmen

Er is helaas geen Franse vertaling gevonden.

  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik klem af
    • jij klemt af
    • hij/zij/het klemt af
    • wij klemmen af
    • jullie klemmen af
    • zij klemmen af
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik klemde af
    • jij klemde af
    • hij/zij/het klemde af
    • wij klemden af
    • jullie klemden af
    • zij klemden af
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb afgeklemd
    • jij hebt afgeklemd
    • hij/zij/het heeft afgeklemd
    • wij hebben afgeklemd
    • jullie hebben afgeklemd
    • zij hebben afgeklemd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had afgeklemd
    • jij had afgeklemd
    • hij/zij/het had afgeklemd
    • wij hadden afgeklemd
    • jullie hadden afgeklemd
    • zij hadden afgeklemd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal afklemmen
    • jij zult afklemmen
    • hij/zij/het zal afklemmen
    • wij zullen afklemmen
    • jullie zullen afklemmen
    • zij zullen afklemmen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal afgeklemd hebben
    • jij zult afgeklemd hebben
    • hij/zij/het zal afgeklemd hebben
    • wij zullen afgeklemd hebben
    • jullie zullen afgeklemd hebben
    • zij zullen afgeklemd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou afklemmen
    • jij zou afklemmen
    • hij/zij/het zou afklemmen
    • wij zouden afklemmen
    • jullie zouden afklemmen
    • zij zouden afklemmen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben afgeklemd
    • jij zou hebben afgeklemd
    • hij/zij/het zou hebben afgeklemd
    • wij zouden hebben afgeklemd
    • jullie zouden hebben afgeklemd
    • zij zouden hebben afgeklemd
  • Imperatief

    • jij klem af
    • jullie klemt af