Vervoeging van afslechten

Onbepaalde wijs (infinitief): afslechten

Er is helaas geen Italiaanse vertaling gevonden.

  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik slecht af
    • jij slecht af
    • hij/zij/het slecht af
    • wij slechten af
    • jullie slechten af
    • zij slechten af
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik slechtte af
    • jij slechtte af
    • hij/zij/het slechtte af
    • wij slechtten af
    • jullie slechtten af
    • zij slechtten af
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb afgeslecht
    • jij hebt afgeslecht
    • hij/zij/het heeft afgeslecht
    • wij hebben afgeslecht
    • jullie hebben afgeslecht
    • zij hebben afgeslecht
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had afgeslecht
    • jij had afgeslecht
    • hij/zij/het had afgeslecht
    • wij hadden afgeslecht
    • jullie hadden afgeslecht
    • zij hadden afgeslecht
  • Toekomende tijd I

    • ik zal afslechten
    • jij zult afslechten
    • hij/zij/het zal afslechten
    • wij zullen afslechten
    • jullie zullen afslechten
    • zij zullen afslechten
  • Toekomende tijd II

    • ik zal afgeslecht hebben
    • jij zult afgeslecht hebben
    • hij/zij/het zal afgeslecht hebben
    • wij zullen afgeslecht hebben
    • jullie zullen afgeslecht hebben
    • zij zullen afgeslecht hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou afslechten
    • jij zou afslechten
    • hij/zij/het zou afslechten
    • wij zouden afslechten
    • jullie zouden afslechten
    • zij zouden afslechten
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben afgeslecht
    • jij zou hebben afgeslecht
    • hij/zij/het zou hebben afgeslecht
    • wij zouden hebben afgeslecht
    • jullie zouden hebben afgeslecht
    • zij zouden hebben afgeslecht
  • Imperatief

    • jij slecht af
    • jullie slecht af