Vervoeging van air


Engels

Nederlands

Present

  • he/she/it airs
  • they air

Onvoltooid tegenwoordige tijd

  • hij/zij/het tocht door
  • zij tochten door

Simple past

  • he/she/it aired
  • they aired

Onvoltooid verleden tijd

  • hij/zij/het tochtte door
  • zij tochtten door

Present perfect

  • he/she/it has aired
  • they have aired

Voltooid tegenwoordige tijd

  • hij/zij/het heeft doorgetocht
  • zij hebben doorgetocht

Past perfect

  • he/she/it had aired
  • they had aired

Voltooid verleden tijd

  • hij/zij/het had doorgetocht
  • zij hadden doorgetocht

Future

  • he/she/it will air
  • they will air

Toekomende tijd I

  • hij/zij/het zal doortochten
  • zij zult doortochten

Future perfect

  • he/she/it will have aired
  • they will have aired

Toekomende tijd II

  • hij/zij/het zal doorgetocht hebben
  • zij zult doorgetocht hebben

Conditional present

  • he/she/it would air
  • they would air

Conditionalis I

  • hij/zij/het zal doortochten
  • zij zullen doortochten

Conditional perfect

  • he/she/it would have aired
  • they would have aired

Conditionalis II

  • hij/zij/het zal hebben doorgetocht
  • zij zullen hebben doorgetocht

Verwijzingen

Bekijk 10 definitie(s) van air